De recreatie- en toerismesector wil een steviger positie in het landelijke economische en ruimtelijke beleid. Tijdens een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer wezen ondernemers en brancheorganisaties op de snel oplopende lasten en regeldruk. In het tweede deel gaven betrokken ook blijk van de rol van R&T in draagkracht, leefbaarheid en natuurwaarden. Opvallend genoeg kwamen beide invalshoeken uit bij dezelfde conclusie: het Rijk moet veel nadrukkelijker de regie nemen.

De vaste Kamercommissie voor Economische Zaken sprak op 8 oktober met negen vertegenwoordigers uit de sector, het openbaar bestuur en de wetenschap. Het gesprek was verdeeld in drie blokken: economische en maatschappelijke waarde, randvoorwaarden voor ondernemers en grenzen aan de groei. Het rondetafelgesprek dient als voorbereiding op het commissiedebat over toerisme van 18 november.
Als je de tijd hebt, dan kun je ook de hele sessie zelf beluisteren.
Sector levert meer dan alleen omzet
In het eerste blok benadrukten Koninklijke Horeca Nederland (KHN), Libéma en de Club van Elf dat recreatie en toerisme niet uitsluitend op bezoekersaantallen of economische opbrengsten moeten worden beoordeeld. De sector draagt volgens hen ook bij aan welzijn, ontmoeting, werkgelegenheid, voorzieningen en de aantrekkelijkheid van regio’s.
Udo Delfgou van KHN becijferde dat de brede gastvrijheidssector in 2025 goed was voor 117,6 miljard euro aan bestedingen en 781.000 banen. De horeca vertegenwoordigde daarvan 33,9 miljard euro omzet en 522.000 banen. Vooral in kleinere steden en dorpen ondersteunen de bestedingen van bezoekers winkels, openbaar vervoer en andere lokale voorzieningen.
Ook dagattracties wezen op hun maatschappelijke rol. De 24 leden van de Club van Elf ontvangen samen jaarlijks ruim 27 miljoen bezoekers en bieden meer dan 10.000 directe arbeidsplaatsen. Daarnaast zijn zij belangrijke opdrachtgevers voor regionale bedrijven op het gebied van bouw, groenvoorziening, techniek, beveiliging, schoonmaak en horeca. Dagattracties bieden bovendien veel eerste banen, leerwerkplekken en werk voor jongeren.
“Aandacht op rijksniveau voor de snelle groeiende sector Recreatie en Toerisme werkt niet altijd goed. Als je aandacht krijgt van de politiek in Den Haag, dan pakt dat niet altijd even positief uit voor je sector.”
Opvallende uitspraak door voorzitter Tom van der Lee (Pro) 16.36
Investeringsruimte verdwijnt door lastenstapeling
Het meest urgente signaal uit de ondernemersblokken was de opeenstapeling van belastingen en kosten. Daarbij werd vooral gewezen op het hogere btw-tarief voor logies (van 9 naar 21%), de toeristenbelasting, werkgeverslasten, energieprijzen en regeldruk.
KHN meldde dat de gemiddelde hotelbezetting onder de eigen leden in de eerste helft van 2026 bijna 10 procent lager lag dan een jaar eerder. Bij restaurants, cafés en fastservicebedrijven daalde het aantal bezoekers met 3,3 procent. Van de ondervraagde horecaondernemers zou 36 procent inmiddels niet winstgevend zijn. KHN pleit daarom onder meer voor een landelijke bovengrens aan de toeristenbelasting, een taskforce regeldrukreductie en structurele verlaging van werkgeverslasten.
HISWA-RECRON schetste een vergelijkbaar beeld. Volgens een aangehaald onderzoek van Ginder kan de totale lastendruk voor recreatieondernemers in sommige situaties richting de 50 procent gaan. De brancheorganisatie wil dat een deel van de extra btw-opbrengsten wordt ondergebracht in een nationaal Recreatie- en Toerismefonds. Dat fonds kan worden gebruikt voor renovatie, verduurzaming, innovatie en kwaliteitsverbetering.
Libéma-directeur Dirk Lips maakte de stapeling concreet met een rekenvoorbeeld. Bij een weekverblijf van vijf personen met een reissom van 1.050 euro bestaat bij een toeristenbelasting van drie euro per persoon per nacht al 25,7 procent van de reissom uit btw en toeristenbelasting. Bij vijf euro toeristenbelasting loopt dat aandeel volgens zijn berekening op tot 32 procent. Lips waarschuwde dat onvoorspelbare lokale heffingen investeringen met een terugverdientijd van vijftien tot twintig jaar steeds riskanter maken.
Ondernemer ziet schoolkampen verdwijnen
Rienk de Jonge van Pean-buiten bracht de gevolgen terug tot het niveau van één recreatiebedrijf. Voor een waterlodge betaalt een gast bij hem in 2026 nog altijd 249 euro per nacht. Door de btw-verhoging houdt het bedrijf daarvan echter twaalf euro minder over dan in 2025.
Extra zorgelijk is de terugval van schoolkampen. In 2025 ontving Pean nog achttien school- en onderwijsgroepen; in 2026 waren dat er tot eind september negen. Twaalf groepen, samen ongeveer vijfhonderd leerlingen, annuleerden. De Jonge vroeg daarom om school- en jeugdkampen vrij te stellen van btw of onder het lage tarief te brengen.
Daarnaast wees hij op achterstallig onderhoud aan bruggen en vaarwegen in Friesland. Voor een watersportregio zijn goed functionerende bruggen volgens hem wat snelwegen voor de Randstad zijn. Zijn kernboodschap: Nederland heeft niet zozeer een toerismeprobleem, maar een verdelingsprobleem. Terwijl sommige bestemmingen tegen hun grenzen aanlopen, is in regio’s als Friesland nog ruimte voor bezoekers en economische groei.
Meer aandacht voor bedrijfsopvolging en de ‘regelreis’
De gemeente Veere bracht een relatief onderbelicht probleem in: de opvolging van toeristische familiebedrijven. In Zeeland zijn naar schatting honderd familiebedrijven in de logiessector waarvan de ondernemer 65 jaar of ouder is. Dat is ongeveer een vijfde van alle toeristische familiebedrijven in de provincie.
Vanwege de grote hoeveelheid kapitaal in grond, gebouwen en voorzieningen is overdracht aan een volgende generatie vaak ingewikkeld. Veere wil daarom dat bedrijfsopvolging in recreatie en toerisme, net als in de agrarische sector, een herkenbaar onderdeel wordt van het landelijke mkb-beleid.
De gemeente stelde ook voor om de volledige ‘regelreis’ van enkele ondernemers te volgen. Een hotel-restaurant met zwembad heeft volgens onderzoek te maken met 93 wettelijke verplichtingen, die samen circa 240.000 euro per jaar aan regeldrukkosten veroorzaken. Door concrete investerings-, verduurzamings- en overnametrajecten van begin tot eind te volgen, moet zichtbaar worden waar regels elkaar overlappen of tegenspreken. Veere meldde zich daarbij aan als mogelijk pilotgebied.
Brede steun voor landelijke regie
Ondanks de verschillende achtergronden van de deelnemers was er opvallend veel overeenstemming over de noodzaak van een samenhangend nationaal beleid. KHN en de Club van Elf willen recreatie en toerisme structureel terugzien in de Nota Ruimte. HISWA-RECRON vraagt om een langetermijnvisie waarin economie, ruimtelijke ordening, spreiding en destinatiemarketing worden verbonden.
Destinatie Nederland ging nog een stap verder en pleitte voor een landelijk beleidskader met duidelijke uitgangspunten, doelen en verantwoordelijkheden. Zo’n kader moet voorkomen dat drukke plekken steeds drukker worden, terwijl andere regio’s bezoekers nodig hebben om voorzieningen overeind te houden. De organisatie waarschuwde tevens dat juist de DMO’s, CMO’s en VVV’s die bezoekersstromen kunnen sturen, financieel onder druk staan.
Groei moet binnen ecologische grenzen passen
De scherpste kanttekening bij de roep om ontwikkelruimte kwam van hoogleraar Machiel Lamers van Wageningen University & Research. Hij onderschreef het economische belang van de gastvrijheidssector en stelde zelfs voor om deze de status van topsector te geven, inclusief een nationale kennisagenda en budget voor onderzoek en innovatie.
Maar groei kan volgens Lamers niet langer alleen worden afgewogen tegen economische belangen en bewonersacceptatie. Ook grenzen rond stikstof, water, biodiversiteit, energiegebruik, congestie en klimaat moeten expliciet worden meegewogen. Vooral in droge zomers kan toerisme regionaal concurreren met landbouw en inwoners om zoet water. Voor de uitstoot van het toerisme – wereldwijd naar schatting 5 tot 10 procent van de broeikasgasemissies, grotendeels door luchtvaart – zijn volgens hem duidelijke volumekeuzes onvermijdelijk.
Stichting De Groene Koepel liet zien dat groei en natuurversterking niet per definitie tegenover elkaar staan. De organisatie vertegenwoordigt ruim 150 natuurkampeerterreinen met jaarlijks meer dan 800.000 overnachtingen. Kleinschalig natuurkamperen combineert volgens de stichting een geringe ruimtelijke voetafdruk met lokale bestedingen en investeringen in landschap en biodiversiteit. De Groene Koepel vraagt daarom om een landelijk afwegingskader waarin recreatievormen worden beoordeeld op draagkracht, ruimtegebruik en hun bijdrage aan natuur en leefbaarheid.
Discussie verschuift van aantallen naar kwaliteit
De rode draad van het rondetafelgesprek is daarmee niet een simpele keuze vóór of tegen groei. De discussie verschuift naar de vraag welke vormen van toerisme Nederland waar wil faciliteren en onder welke voorwaarden.
Ondernemers hebben voorspelbare lasten, werkbare regels en voldoende investeringsruimte nodig. Tegelijkertijd vraagt de schaarste aan ruimte, natuur en water om duidelijke keuzes. Voor beide opgaven wordt nadrukkelijk naar het Rijk gekeken. Het commissiedebat van 18 november moet uitwijzen of die brede roep om landelijke regie ook wordt vertaald in concreet beleid.
Meer informatie: https://debatdirect.tweedekamer.nl/2026-10-08/economie/klompezaal/toerisme-14-30
Hier zijn ook de position papers te lezen van: KHN, Libema, Club van Elf, Pean-buiten (zeilschool en vakantiepark), HISWA-Recron, de gemeente Veere, De Groene Koepel en Machiel Lamers van de Wageningen University. (Destinatie Nederland deed ook mee aan het gesprek, maar stuurde geen position paper in.)