De belangrijkste les die Johanna Oosterbaan opstak uit een soms scherp debat tijdens de Nationale Toerisme Top: Diversiteit in de verblijfsrecreatie blijft niet vanzelf bestaan. Als opbrengst per vierkante meter leidend wordt, dreigen betaalbare kampeer- en jaarplaatsen te verdwijnen. Maar wie moet daarop sturen: de markt, de ondernemer of de overheid? Dit verslag laat zien waar de belangen botsen en welke ruimte de sector nodig heeft.

Strategieadviseur Merlijn Pietersma leidde het panel. Aangeschoven waren Niels Leenders van Charme Camping De Rijnstrangen en bestuurslid van Vekabo In het Groen, Tim Slager, directielid MoleCaten en vice-voorzitter HISWA-RECRON, en manager director Patricia Mulder van Siblu Villages Netherlands.
Ondernemer of projectontwikkelaar?
Pietersma opende met een camping aan het water, vol vaste gasten die de plek als hun tweede thuis zien. Een projectontwikkelaar wilde er 30 luxe villa’s bouwen van 8 ton per stuk. Is daar een markt voor? Vast wel. Zijn vraag was scherper: Willen we dat, ten koste van jaarplaatsen, seizoenplaatsen en kampeerplekken?
Mulder legde het verschil scherp neer. Een projectontwikkelaar ontwikkelt, verkoopt en gaat door naar het volgende project. Zij wil over twintig of dertig jaar nog recreatiebedrijven zien. In het publieke debat gaat het volgens haar vaak over vastgoed als belegging, met het recreatieconcept op de tweede plaats.
Slager wees op parken waar huisjes los aan particulieren zijn verkocht. Over dertig of veertig jaar moet zo’n park vernieuwd worden. Wie voelt zich dan eigenaar? Leenders zette daar de horizon van de kleine ondernemer tegenover. Hoe ziet mijn plek er over twintig jaar uit? Wat draag ik bij aan landschap en dorp?
Prijzen omhoog, marge gelijk
Moet je steeds meer verdienen per vierkante meter om toekomstbestendig te blijven? Leenders vond dat te smal. Zijn camping heeft geen zwembad en geen animatie. De waarde zit in het landschap, persoonlijke gastvrijheid, bijzondere accommodaties en het verhaal van de plek. Kun je daarvan leven? “Ja, absoluut. Het vraagt wel ondernemerschap, professionaliteit en verstandige investeringen.”
Slager bleef nuchter. Een ondernemer moet minimaal de inflatie bijhouden, anders wordt het volgens hem hobbyisme. Hij rekende voor dat inmiddels gemiddeld zo’n 44 cent van iedere euro naar lasten en belastingen gaat. Zelf kiest hij bewust voor een mix: verhuur verdient sneller, kamperen en jaarplaatsen vragen minder investering en betalen zich langer terug.
Mulder zat er een beetje tussenin. Nederland is vol, dus eindeloos uitbreiden kan niet. Tegelijk wordt ons land aantrekkelijker als vakantiebestemming nu de zomers veranderen. Met innovatie en duurzaamheid haal je volgens haar meer waarde uit hetzelfde product. Ze zag ook de grens bij de gast: mensen komen korter en er zit een plafond aan wat ze willen betalen.
Uit de zaal klonk het herkenbaar: “Ik heb twee jaar mijn prijzen verhoogd en geen cent meer verdiend.”
Markt of regie?
Pietersma schetste een bekende beweging. Een weiland wordt camping, de camping krijgt glamping en chalets, en uiteindelijk staat er een bungalowpark. Elke stap levert meer op per vierkante meter. Laat je dat aan de markt over, dan verdwijnt volgens de stelling de diversiteit vanzelf.
Hier liepen de meningen uiteen. Leenders pleitte voor strategische regie van de overheid. Mulder zag de markt zich al corrigeren: het rendement op vakantiehuisjes loopt terug en mensen blijven op vakantie gaan. Voor campings die blijven vernieuwen en luisteren naar hun gast, is er volgens haar altijd ruimte. Wel moet dat aanbod betaalbaar blijven. “Anders gaan mensen gewoon in hun tuin zitten.” Slager zag het anders; “Wat naar een projectontwikkelaar gaat, komt niet vanzelf terug.” Hij vergeleek het met de buurtsupermarkt: “Misschien komt die ooit terug, maar is er dan nog ruimte?”
Wat vraag je dan van de overheid? Vooral duidelijkheid. Mulder vertelde over een uitbreiding die boer, gemeente en dorp allemaal steunen, en die al 7 jaar in de procedure zit. Voor een kleiner bedrijf is zo’n traject nauwelijks op te brengen. Slager wil dat de overheid grond recreatief bestemt, net zoals ze dat voor landbouw en industrie doet, en de invulling aan de ondernemer laat. Hij zag recreatie ook als deel van de oplossing, bijvoorbeeld als buffer tussen natuur en wonen. Leenders vroeg gemeenten om mee te denken, met snelle procedures en regels waar je op kunt bouwen.
In de slotronde vroeg Pietersma wat zij nu echt nodig hebben van de overheid: regelruimte, fysieke ruimte, ruimte in het verdienmodel, en duidelijk, snel beleid.
De stem van de ondernemer
Veel van het debat ging over grote parken, beleggers en bestemmingsplannen. Juist daarom viel op dat de kleinschalige ondernemer in het groen nadrukkelijk aan tafel zat. Niels Leenders sprak mede namens Vekabo / In het Groen, de vereniging die opkomt voor kleinschalige verblijfsrecreatieondernemers.
Hij bracht steeds de vragen in die voor deze ondernemers spelen. Hoe houd je je plek mooi? Wat draag je bij aan landschap en dorp? En hoe krijg je als klein bedrijf duidelijkheid van je gemeente, zonder jarenlange procedures die alleen grote partijen kunnen betalen?
Dat is belangenbehartiging in de praktijk. Zorgen dat bij keuzes over ruimte ook de kleinschalige camping wordt meegewogen. Als één geluid, want een individuele kleinere ondernemer komt zelden aan tafel bij provincie of gemeente.
Mijn visie: betaalbare ruimte voor iedereen
Ik had zelf ruim negen jaar een camping. De vraag was hoog, en ondanks dat ik elke keer de prijs verhoogde voor meer ruimte in mijn marge bleven de gasten komen. Dat zie ik nu ook bij mijn klanten gebeuren. Ik vind dat we betaalbare kampeerplekken in de natuur moeten houden. Voor het gezin met een tent, het stel met een caravan, de gast die geen villa zoekt. De caravanmarkt in Nederland groeit nog. Al die kampeerders zoeken een plek.
Daarom heeft de kleine en middelgrote betaalbare camping goud in handen: Iets dat niemand kan nabouwen. Een plek in het landschap, ruimte en gasten die vaak terugkomen. Die combinatie houd je alleen vast als je er zelf voor kiest.
Daar hoort voor mij ook rentmeesterschap bij. Wie een stuk natuur beheert, is verantwoordelijk voor wat er na hem komt. Dat doe je samen met je gasten, vrijwilligers en de overheid. Leenders liet in de sessie zien hoe dat eruitziet: een ondernemer die zich afvraagt wat hij bijdraagt aan landschap en dorp. Zo wordt de camping een hoeder van de ruimte die we met elkaar delen.
Conclusie
In het licht van ‘Waarde van Morgen’, het thema van de Toerisme Top, blijft vernieuwing en bijdragen aan de leefomgeving nodig. Er is plek voor verschillende vormen van verblijfsrecreatie. De cijfers moeten wel blijven kloppen en passende ruimtelijke keuzes vanuit overheden zijn cruciaal.
Met dank aan (auteur van dit artikel): Johanna Oosterbaan
Johanna Oosterbaan had ruim negen jaar een camping en is oprichter van RecreatieBeleving. Ze hielp, samen met haar team en partners, in bijna tien jaar tijd meer dan 300 recreatieondernemers met hun marketing en bedrijfsvoering. Vaak komen dan ook de vragen uit dit panel voorbij: “Waar zit de waarde van de eigen plek, en hoe zorg je dat een hogere prijs ook echt in de marge terechtkomt?“
In het Recreatie Groeinetwerk vertaalt ze haar kennis, ervaring en inzichten praktisch en concreet naar het individuele bedrijf. Elke maand staat een ander thema centraal, denk aan vindbaarheid, prijsstrategie, werken met AI, duurzaamheid, reviewmarketing, merkverhalen en meer boekingen via de eigen website. Ondernemers brengen hun eigen vraagstukken in en krijgen hierbij hulp van 12 AI-assistenten, masterclasses, live vragenuren en een forum met collega’s.
Meer informatie: www.recreatiebeleving.nl/groeinetwerk.