De Nederlandse toeristische sector beleefde een ‘topzomer’, zo berichtten onder meer het AD en NOS naar aanleiding van de nieuwste CBS-cijfers. “Die cijfers over juli bevatten zeker positieve signalen: het aantal gasten stijgt en ook het aantal overnachtingen laat landelijk vooralsnog geen krimp zien.“, blijkt uit een analyse door Timo van Boekel van adviesbureau Ginder.

Zie ook:
- Nederlandse vakantieparken draaien topzomer, vooral buiten de Randstad groeit de drukte | Nieuws | AD.nl
- Goede julimaand camoufleert zorgelijke trend Zeeuws toerisme – Pretwerk
Tegelijkertijd hoort Ginder in gesprekken met ondernemers regelmatig een ander beeld. Landelijke cijfers zeggen iets over de markt als geheel, maar kunnen verschillen tussen regio’s en deelsectoren verhullen. Aanleiding genoeg om iets verder uit te zoomen en de cijfers over meerdere jaren naast elkaar te zetten.
Juli 2025 gunstig vergelijkingsjaar voor groei
Om te beginnen is het nog vroeg om op basis van cijfers tot en met juli een conclusie over de hele zomer te trekken. Augustus is voor veel recreatiebedrijven een belangrijke vakantiemaand en die cijfers zijn nog niet beschikbaar. De CBS-cijfers over 2026 zijn bovendien nog voorlopig.
Juli 2026 laat ten opzichte van vorig jaar duidelijke groei zien. Het aantal gasten steeg van 5,27 miljoen in juli 2025 naar 5,70 miljoen dit jaar. Het aantal overnachtingen nam toe van 17,18 naar 18,45 miljoen. Maar juist de gekozen vergelijkingsperiode doet ertoe. Juli 2025 was qua overnachtingen een relatief zwakke maand. In juli 2023 registreerde het CBS 19,06 miljoen overnachtingen en in 2024 18,49 miljoen. Juli 2026 ligt daarmee vrijwel op het niveau van 2024 en nog onder dat van 2023. De conclusie dat juli sterk groeide ten opzichte van vorig jaar klopt dus. Maar wie wat verder terugkijkt, ziet een minder uitzonderlijk beeld.

Meer gasten, korter verblijf
Wie niet alleen juli bekijkt, maar januari tot en met juli, ziet dezelfde ontwikkeling in een bredere context. Het aantal gasten steeg van 28,8 miljoen in 2023 naar 30,7 miljoen in 2026: circa 6,5 procent groei. Het aantal overnachtingen nam in dezelfde periode toe van 82,0 naar 83,1 miljoen. Dat is slechts 1,3 procent. De groei van het aantal gasten vertaalt zich dus maar beperkt in extra nachten.
Dat is ook zichtbaar in de gemiddelde verblijfsduur. Die daalde over de eerste zeven maanden van 2,85 nachten per gast in 2023 naar 2,71 in 2026. In juli zelf is de afname nog groter: van 3,54 naar 3,23 nachten per gast, een daling van ongeveer 8,5 procent. Er komen dus meer gasten naar Nederlandse logiesaccommodaties, maar zij verblijven gemiddeld korter.

Achter het landelijke totaal gaan grote verschillen schuil
Daarbij blijft het belangrijk dat dit landelijke macrocijfers zijn. Gemiddelden kunnen flinke regionale en sectorale verschillen verhullen. In sommige provincies is stevige groei zichtbaar, terwijl andere regio’s juist teruglopen. In grensregio’s kan prijsgevoeligheid bovendien extra relevant zijn, omdat gasten relatief gemakkelijk kunnen uitwijken naar België of Duitsland. Iets wat we dagelijks horen in onze gesprekken met ondernemers daar.
Ook de NOS had daar aandacht voor, zo wordt verder ingezoomd op onder meer hotels en vakantieparken. Rabobank-econoom Jos Klerx wijst daarbij eveneens op grote regionale verschillen. Het een sluit het ander dus niet uit: landelijk kan de vraag op peil blijven, terwijl de ontwikkeling voor afzonderlijke regio’s en sectoren anders uitpakt.
Meer gasten is niet langer dé graadmeter
De groei van het aantal gasten is positief, maar bij Ginder geloven we dat dit richting de toekomst niet langer de juiste graadmeter is om te bepalen hoe goed ‘het toerisme’ draait. Deze analyse laat al goed zien waarom dat onder andere is: meer gasten is niet meer automatisch groei van het aantal overnachtingen.
Daar komt bij dat gastenaantallen weinig zeggen over bezettingsgraad, bestedingen en uiteindelijk nog minder over het bedrijfseconomische resultaat. Hogere kosten voor personeel, energie en inkoop, in combinatie met de hogere belastingdruk (btw), kunnen ervoor zorgen dat een stabiele of groeiende vraag niet automatisch leidt tot betere marges. Ondernemers kunnen er bovendien voor hebben gekozen een deel van die hogere lasten zelf op te vangen in plaats van volledig door te berekenen aan de gast. Dat is ook de nuance die HISWA-RECRON in reactie op de cijfers terecht aanbrengt.
Positieve signalen, maar ‘topzomer’ is nog vroeg
Ondanks al deze nuances is het fijn om te zien dat het aantal gasten groeit en het totale aantal overnachtingen stabiel blijft, ondanks alle veranderingen in de markt. De kwalificatie ‘topzomer’ komt alleen veel te vroeg, op basis van de huidige cijfers. Het wordt in ieder geval interessant om niet alleen naar het landelijke totaal te kijken, maar ook naar de vraag waar de groei precies terechtkomt en wat die groei uiteindelijk betekent voor bezetting en rendement in de verschillende delen van de sector.
Met dank aan (auteur van dit artikel) Timo van Boekel, adviseur vrijetijdseconomie bij Ginder