Minister van Engelshoven (D66) heeft het probleem van stagediscriminatie voor mensen met een niet-westerse migratie achtergrond hoog op haar agenda geplaatst. Werkgeversorganisatie VNO NCW plaatst kanttekeningen bij de conclusies van de minister en wijst er op dat de lastige stagemarktsituatie lang niet altijd een gevolg is van discriminatie. Minister van Engelshoven (D66) heeft het probleem van stagediscriminatie voor mensen met een niet-westerse migratie achtergrond hoog op haar agenda geplaatst. Werkgeversorganisatie VNO NCW plaatst kanttekeningen bij de conclusies van de minister en wijst er op dat de lastige stagemarktsituatie lang niet altijd een gevolg is van discriminatie.

Van Engelshoven: "Het komt nog te vaak voor. Bijna 24% van de mbo-studenten met een niet-westerse migratieachtergrond moet vier keer of vaker solliciteren voor een stage, tegenover 11% van hun autochtone medestudenten. In één keer een stage vinden lukt 68% van de autochtone mbo-studenten, terwijl dat bij mbo-studenten met een niet-westerse migratieachtergrond 48% is. “Een onaanvaardbare situatie” Meer informatie: Minister: stagediscriminatie onaanvaardbaar op www.rijksoverheid.nl Reactie van werkgevers: Discriminatie – bij stages of elders – is altijd onacceptabel. VNO-NCW en MKB-Nederland ontkennen zeker niet dat discriminatie ook onder werkgevers - bewust of onbewust – voorkomt en willen er samen met de mbo-instellingen alles aan doen om dat tegen te gaan. Zij vinden echter dat minister Van Engelshoven van OCW te kort door de bocht gaat met haar conclusie dat discriminatie de enige oorzaak is waardoor mbo-studenten met een niet-westerse migratieachtergrond meer moeite hebben om een stageplek te vinden. Want daarbij spelen ook andere factoren een rol, aldus de ondernemersorganisaties. Minister Van Engelshoven heeft vandaag onderzoek naar buiten gebracht, waaruit blijkt dat bijna 24% van de mbo-studenten met een niet-westerse migratieachtergrond vier keer of vaker moet solliciteren voor een stage, tegenover 11% van hun autochtone medestudenten. En waar het 68% van de autochtone mbo-studenten lukt om één keer een stage te vinden, is dat bij mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond 48%. De minister schrijft die verschillen volledig toe aan stagediscriminatie door werkgevers. VNO-NCW en MKB-Nederland zijn van mening dat de minister die conclusie echter niet zo maar kan trekken: het onderzoek geeft dat niet aan en er zijn ook andere factoren die meespelen. Zo kiezen jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond relatief vaker voor studies met minder goed perspectief op werk, zoals economisch-administratieve opleidingen. Dat leidt ook tot een minder aanbod van stageplekken. Een mbo-student zal dan vaker moeten solliciteren om een stageplek te bemachtigen. Ook missen jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een functioneel netwerk dat hen toegang kan bieden tot de arbeidsmarkt of hen helpt bij het vinden van een stageadres. Stagebegeleiders noemen ook persoonlijke omstandigheden vaker als belemmerende factor. Daarbij vragen studenten met een migratieachtergrond volgens hen ook minder snel om hulp als zij problemen hebben met het vinden van een stageplek (onderzoek KIS, 2016). VNO-NCW en MKB-Nederland gaan graag met minister en mbo in gesprek om dit soort knelpunten op te lossen. Zij ondersteunen ook het plan van Van Engelshoven om de bekendheid van het meldpunt stagediscriminatie van SBB (Samenwerkingsverband Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) te vergroten. De aanpak van mogelijke stagediscriminatie begint immers met het melden van vermoedens. De minister van OCW heeft in juni 2017 namens beroepsonderwijs en bedrijfsleven dit meldpunt op de website van SBB gelanceerd. In een jaar tijd zijn daar zeventien meldingen binnengekomen. Bij één leerbedrijf is de erkenning ingetrokken vanwege aantoonbare discriminatie. In het middelbaar beroepsonderwijs zijn dagelijks 250.000 erkende leerbedrijven in uiteenlopende sectoren actief met het opleiden van studenten in de beroepspraktijk. Meer informatie: www.mkb.nl